Selectie van studenten aan de poort, waarom en hoe?

Onderwijsinstellingen maken al langer gebruik van selectiemethoden bij het toelaten van nieuwe studenten, maar de omvang en de aard daarvan zijn in het afgelopen decennium sterk veranderd. Voorheen waren selecties veelal beperkt tot een klein aantal studierichtingen waarvoor een numerus fixus gold, maar tegenwoordig is een uitgebreide voorselectie aan de poort eerder regel dan uitzondering. “Een gevolg van gewijzigde beoordelings- en financieringsmodellen voor het hoger onderwijs. En het eind is nog niet in zicht”. Dat zegt Prof. Dr. Marise Born, hoogleraar personeelspsychologie aan de Erasmus universiteit en bijzonder hoogleraar aan de Vrije Universiteit. Marise Born is één van de sprekers op het NOA onderwijssymposium op 5 november. 

De toename van drempelselecties heeft alles te maken met de veranderingen die de onderwijsinstellingen op zich af hebben zien komen. “Opleidingen zijn steeds meer bedrijven geworden. Ooit was hun primaire doel te zorgen voor een brede ontwikkeling van jonge mensen, maar tegenwoordig worden ze met name afgerekend op de aantallen studenten die de eindstreep halen. De druk om hoge slagingspercentages te bereiken is daardoor aanzienlijk toegenomen. Evenals trouwens de druk op de studenten om maximaal te presteren. De ontplooiing en ontwikkeling van de student lijkt daarmee ondergeschikt geworden aan het behalen van maximale studieresultaten.”

Onderwijsinstellingen kiezen dus niet voor niets voor extra selectie aan de poort. Getalenteerde studenten zorgen nu eenmaal voor hogere slagingspercentages en dus meer geld. “Bijzonder in deze tijd is wel dat ik ook mijn eigen studenten hoor zeggen dat talent beloond mag worden”, zegt Marise Born. “Ze vinden dat je meer en betere kansen mag krijgen als je meer kwaliteiten hebt.” Misschien heeft dat te maken met het nog steeds toenemend aantal jongeren dat gaat studeren, onder meer doordat de overstap van hbo naar universiteit een stuk gemakkelijker is geworden. “Het wordt voor studenten daardoor steeds belangrijker om zich te onderscheiden. Niet zo gek dus dat ook bij studenten de acceptatie toeneemt van het belonen van talent.”

Om de beste studenten binnen te halen kijken onderwijsinstellingen steeds vaker naar de resultaten op de middelbare school. Maar de vraag is hoe representatief die schoolresultaten zijn voor de prestaties in de latere jaren. Uit onderzoek is gebleken dat het intelligentiequotiënt een betrouwbare graadmeter is voor succes, maar het hanteren van het IQ als selectiecriterium voor onderwijsinstellingen is omstreden. Steeds vaker wordt daarom bij selecties gekozen voor het gebruik van algoritmes en statistische modellen, maar ook dat is niet het laatste woord. Want wat zeggen die modellen? Welke normen zijn daarin impliciet of expliciet gehanteerd? Zijn die wel van toepassing in mijn specifieke situatie? Hoe houden ze rekening met diversiteit, een aspect dat in de huidige drempelselecties van onderwijsinstellingen zeker meetelt. Er is met andere woorden behoefte aan meer transparantie en een betere verantwoording van deze methodiek. Consument en maatschappij mogen hierin best wat kritischer zijn. En natuurlijk ook de toekomstige studenten.”

Op het NOA-onderwijssymposium van 5 november ging Marise Born in op vragen rond het werken met algoritmes en de optimale match.