Coachingsmodel

Hieronder wordt het NOA coachingsmodel beschreven dat gebruikt kan worden voor het bevorderen van studiesucces bij studenten.

Het doel van coaching is in dit geval het bevorderen van leren. De taak van de coach is erop gericht de student te leren hoe hij/zij het beste kan leren (Leermakers, 1998). Activiteiten van de coach hebben dan ook veelal tot doel het zelfsturend vermogen van de student te ontwikkelen.

In een ontwikkelingsproces van een student kunnen vier fasen worden onderscheiden: ervaren, reflecteren, willen en handelen. In elke fase staat een kernvraag centraal:

  1. Ervaren: Hoe ervaren student en docent de feitelijke situatie?
  2. Reflecteren: Hoe kijken de student en docent naar de situatie?
  3. Willen: Wat willen de student en de docent veranderen aan de situatie?
  4. Handelen: Wat gaat de student anders doen? (of: Wat gaan student en docent anders doen)?

Bij iedere fase horen verschillende activiteiten voor de coach:

Fase 

Actie

Mogelijke activiteiten voor de docent in deze fase

1

 Ervaren

Het vaststellen van de beginsituatie

Vragen stellen volgens de STARR-methode.

2

 Reflecteren

Het vaststellen van ontwikkelpunten

Terugkoppelen, vragend adviseren (heb je gedacht aan…), actief luisteren.

3

 Willen

Concrete leeractiviteiten vaststellen voor te versterken competenties

Ontwikkeltips geven, helpen doelen SMART te formuleren. Voorbeelden van SMART ontwikkeltips per competentie worden verderop in dit document beschreven.

4

 Handelen

Oefenen (door student) en evalueren

Feedback geven en waardering uitspreken.