Scenario's

In de rapportage komt naar voren hoe personen zich verhouden tot een bepaalde norm- of referentiegroep. Vervolgens is het belangrijk om te kijken of de persoon zich herkent in het beeld dat in de rapportage wordt geschetst. Komt zijn of haar zelfbeeld overeen met het beeld uit de rapportage? De combinaties van de hoogte van de scores en de mate van herkenning kunnen verschillende scenario’s opleveren. Het meest interessant is het als iemand zich niet herkent in de resultaten. Het is belangrijk dat hier aandacht aan wordt geschonken tijdens het gesprek om een mogelijke oorzaak hiervan te achterhalen. De verschillende scenario’s zijn in onderstaand schema weergegeven:

Hieronder wordt voor elk scenario een voorbeeld van een STARR uitgewerkt.

Scenario 1: Laag resultaat en weinig herkenning

Het kan zijn dat personen zich niet herkennen in een beneden gemiddeld tot (zeer) laag resultaat. In een dergelijke situatie bestaat het risico dat er een discussie ontstaat over de test en de vragen uit de test, waardoor het niet (meer) gaat over de interpretatie van de resultaten. Voor de herkenning en interpretatie is het belangrijk om voorbeelden te vragen van gedrag waarbij de competentie naar voren kwam. Deze kunnen met behulp van een STARR uitgevraagd worden (zie onder voorbeelden).

Er kunnen verschillende oorzaken zijn voor het feit dat personen zich niet herkennen in de resultaten:

  • De vragen zijn niet goed begrepen en daardoor anders ingevuld dan de bedoeling van de vragenlijst was.
  • De persoon schat zichzelf hoger in.
  • De student wilde de test op een bepaalde manier invullen, bijvoorbeeld door niet bovengemiddeld te willen scoren en alles in het midden in te vullen.
  • De persoon is het niet eens met het testdoel; er is weerstand.

Mogelijke vragen:

  • “Hoe heb je de test ingevuld?”
  • “Kun je een voorbeeld geven van een situatie waarin je de competentie moest laten zien?”
  • “Ik heb het gevoel dat het gesprek niet soepel loopt. Hoe ervaar jij dit?”

Voorbeeld van een gesprek:

Man, 19 jaar, heeft zich ingeschreven voor de opleiding Accountancy.

Docent: “Welkom, (intro etc..). Wat vind je van de uitkomsten van het rapport?”

Student: “Het resultaat bij de competentie mondeling communiceren klopt niet.”

D: “O, dat is vervelend. Hoe zou je jezelf beoordelen op deze competentie?”

S: “Goed.”

D: “Kun je een voorbeeld van de laatste keer dat je iets mondeling moest communiceren?”

S: “Ehmm, weet ik niet.”

D: “En tijdens de middelbare school? Moest je toen wel eens wat presenteren?”

S: “Niet echt..”

D: “(Stilte)….. Helemaal niets?”

S: “Nee.”

D: “Ik heb het gevoel dat het gesprek niet soepel loopt. Hoe ervaar jij dit?”

S: “Niet echt nee.”

D: “Waar denk je dat dit aan ligt?”

S: “Ik vind dit hele intake verhaal onzin. Ik heb toch mijn HAVO diploma, dat is genoeg om toegelaten te worden?”

D: “Dus als ik het goed begrijp, dan zie je het nut van het intake assessment niet?”

S: “Klopt.”

D: “Wij willen je graag leren kennen. Verder kunnen we je inderdaad niet afwijzen op basis van dit gesprek. Maar we kunnen je wel ondersteunen wanneer dit nodig is. Mondeling communiceren is belangrijk tijdens de opleiding. Door voor het begin van de opleiding een beeld te krijgen van hoe je goed hierin bent, kan er eventueel vanaf het begin van je opleiding extra aandacht aan besteed worden waardoor je er geen achterstand door oploopt.”

S: “Oow, dat is best positief.”

Scenario 2: Laag resultaat en een grote herkenning

Het kan zijn dat personen zich wel herkennen in een beneden gemiddeld tot (zeer) laag resultaat. Het kan zijn dat ze een goed beeld hebben van wat hun minder ontwikkelde competenties zijn. Als er op veel competenties een beneden gemiddeld resultaat wordt behaald, dan kan het zijn dat er iets anders aan de hand is. Iemand kan, bijvoorbeeld, een laag zelfbeeld hebben. Ook kan het zo zijn dat iemand nog weinig ervaring heeft met de gevraagde competenties.

Voorbeeld van een gesprek:

Man, 18 jaar, heeft zich ingeschreven voor de opleiding Journalistiek.

Docent: “Welkom, (introductie). Wat vind je van de uitkomsten van het rapport?”

Student: “Ja, ik was er al een beetje bang voor.”

D: “Hoe bedoel je dat?”

S: “Nou ik had er al niet echt veel vertrouwen in toen ik de test maakte.”

D: “Laten we je rapport er even bij pakken. Ik zie inderdaad dat je op een paar competenties beneden gemiddeld scoort, maar op een aantal competentie zit je gewoon rond het gemiddelde.”

S: “Ja, hmm.”

D: “Als je naar al deze competenties kijkt, wat zou je dan typeren als een sterk punt van jezelf? Ongeacht waar het bolletje nu staat.”

S: “Weet ik niet echt”

D: “Echt niet?”

S: “Ja, ik denk wel schrijven dan, al komt dat ook niet echt goed uit de rapportage. Ik weet inderdaad niet of dat echt goed genoeg is.”

D: “Wat is je ervaring met schrijven?”

S: “Ik heb op de middelbare school wat stukjes geschreven voor de schoolkrant.”

D: “Leuk, waarover?”

S: “Nou, het ging niet heel goed.”

D: “Hm, wat was het precies waar je wat over hebt geschreven?”

S: “We gingen op studiereis naar Parijs en ik heb daar een kort verslag over geschreven.”

D: “Aha, moest je dit alleen doen of met andere mensen?”

S: “Ik schreef het verslag, iemand anders zorgde voor de lay-out en foto’s en alles werd nog bekeken door de eindredacteur.”

D: “Je zei eerder dat je het niet heel goed vond gaan. Waar kwam dat precies door?”

S: “Nou, ik had het gevoel dat het allemaal wel wat beter kon.”

D: “Wat vonden de anderen ervan?”

S: “Ja, die vonden het leuk geschreven, maar ik had zelf het idee dat het wel een stuk origineler kon.”

D: “Heb je dat gevoel wel vaker?”

S: “Ja, ik ben vaak best wel kritisch.”

D: “Aha, dat kan de uitslagen in het rapport verklaren. Maar je geeft aan dat anderen wel tevreden waren over je werk. Blijf je zelf dan ook ontevreden?”

S: “Het gaat me er vooral om of ik zelf tevreden ben.”

D: “Hoe zit dat bijvoorbeeld met je schoolcijfers……..”

Etcetera.

Scenario 3: Hoog resultaat, weinig herkenning

Het kan zijn dat de resultaten op een competentie hoger zijn dan men had verwacht. In dat geval heeft men bij het invullen mogelijk vooral aan positieve situaties gedacht of gedacht aan hoe men zou willen dat men een bepaalde competentie beheerst. Ook kan men bij het invullen gericht zijn geweest op wat de verwachtingen zijn waaraan men denkt te moeten gaan voldoen.

Voorbeeld van een gesprek:

Vrouw, 19 jaar, heeft zich ingeschreven voor de opleiding Bedrijfskunde MER

Docent: “Welkom, (intro etc..). Wat vind je van de uitkomsten van het rapport?”

Student: “Leuk, lekker positief.”

D: “Je klinkt een beetje verbaasd.”

S: “Ja, over het algemeen komt het wel overeen. Alleen op een paar punten had ik mezelf minder hoog ingeschat.”

D: “Aha, op welke competentie bijvoorbeeld?”

S: “Nou op doorzettingsvermogen bijvoorbeeld.”

D: “Jij ziet dat niet zo?”

S: “Vaak wel hoor, maar ik weet bijvoorbeeld nog laatst toen ik ging hardlopen in de regen. Toen heb ik maar twee rondjes gelopen.

D: “Klinkt best goed dat je toch in de regen hebt hardgelopen, maar kan je ook een voorbeeld geven dat je moest doorzetten in een studiesituatie?”

S: “Eehm, ja voor Frans bijvoorbeeld, dat lag me echt niet.”

D: “Kan je één specifiek voorbeeld geven?”

S: “Nou ik wou Frans afsluiten met een zeven. Voor m’n laatste repetitie moest ik niet lager dan een achteneenhalf halen. Daarna kon ik het gelukkig laten vallen, dus dat was wel fijn. Verder vond ik alle vakken best leuk. Economie vond ik echt interessant, dus dan kon ik daar meer tijd aan besteden.”

D: “Ok, even terug naar die repetitie, hoe heb je het aangepakt om die achteneenhalf te halen?”

S: “Nou ik heb alles opgedeeld. Daarna heb ik een planning gemaakt zodat ik elke dag wat deed en daarna nog een keer kon herhalen. Soms kon ik hierdoor wat minder met vriendinnen afspreken. Normaal gingen we ongeveer elk weekend winkelen en…”

D: “Aha, en die planning? Hoe verliep dat in de praktijk? ”

S: “Ja soms was het wel wat lastiger om zoveel mogelijk dingen te combineren, maar uiteindelijk was het het wel waard.”

D: “Wat was het resultaat? Heb je het gehaald?”

S: “Ja, ik heb uiteindelijk een negen gehaald.”

D: “Netjes! Hoe kijk je er achteraf op terug?

S: “Ja, wel ok. Ik denk dat ik het nog wel wat beter had kunnen doen. Als ik het nog een paar keer had herhaald ging het misschien wat beter. Ik was nu best zenuwachtig. Ik wist ook een aantal woorden niet meer.”

D: “Je hebt wel je doel gehaald.”

S: “Ja, dat wel”

D: Ik denk dat je best kritisch bent over jezelf. Misschien dat je volgens jouw standaard niet genoeg hebt gedaan. Mogelijk heb je bij het invullen van de vragen over deze competentie vooral gedacht aan hoe je zou willen dat je deze competentie zou beheersen. Daardoor is het resultaat wellicht hoger uitgevallen dan je had gedacht. Tijdens de test wordt je vergeleken met andere studenten. In vergelijking met andere studenten scoor je ruim boven het gemiddelde. Hieruit zou je kunnen afleiden dat je voor jezelf de lat hoog legt. Als ik je verhaal hoor, dan vind je dat je niet aan die hoge eisen van je voldoet.”

S: Oh, werkt het rapport zo.

Scenario 4: Hoog resultaat, grote herkenning

Vaak zal het zo zijn dat personen zich herkennen in de resultaten. Tijdens het beantwoorden van de vragen beoordeelt en vergelijkt men zichzelf ook met anderen. Het enige verschil is dat vragen nu gebundeld worden in een schaal en men vergeleken wordt met een norm- of referentiegroep. Ook als een persoon een bovengemiddelde score heeft, kan het goed zijn om dit uit te vragen. Dit geeft het gesprek een positieve toon en zorgt ervoor dat er vertrouwen wordt gewekt voor de rest van het gesprek. Ook kan het zo zijn dat je tijdens de STARR die gericht is op een bepaalde competentie, je informatie krijgt over andere competenties die gebruikt werden in diezelfde situatie. Ook dit kan interessant zijn.

Voorbeeld:

Vrouw, 21 jaar, heeft zich ingeschreven voor de opleiding tot Leraar Lichamelijke Opvoeding.

Docent: “Welkom, (intro etc..). Wat vind je van de uitkomsten van het rapport?”

Student: “Ja klopt wel ongeveer. Ik herkende mezelf erin.”

D: “Dat is goed om te horen! Ik zie dat je erg hoog scoort op de competentie samenwerken. Heb je hier goede ervaringen mee?”

S: “Ja, ik moest bijvoorbeeld voor de studentenraad op mijn middelbare school een afsluitend feest organiseren.”

D: “Ow, wat leuk! Wat was dat precies voor een feest? Was er een thema of waren er speciale activiteiten?”

S: “Het was een gala. Dus er moest heel veel geregeld worden, een rode loper, fotograaf, aankleding noem maar op.”

D: “Dat is heel wat. Wat was jouw rol daar precies in?” (Verder STARR uitvragen………)

D: “Zijn er ook situaties geweest waarbij de samenwerking minder goed verliep?”

S: “Ja, dat was voor mijn profielwerkstuk.”

D: “Waar ging dat profielwerkstuk over?”

S: “Over de invloed van Rusland op hun buurlanden vanaf de koude oorlog tot nu.”

D: “Interessant. Dat profielwerkstuk moest je samen doen?”

S: “Ja met een studiegenootje, maar dat liep totaal niet.”

D: “Wat was jouw rol in de samenwerking?”

S: “Ik moest literatuur doornemen en samenvatten.”

D: “En je medestudent?”

S: “Die was verantwoordelijk voor het samenvoegen, lay-out en planning.”

D: (Verder STARR uitvragen………)

D: “En wat is het verschil tussen die eerste situatie en de tweede situatie?”

S: “Nou, ik vond het erg vervelend dat ik zo afhankelijk was van mijn medestudent. Ze was vaak te laat met het inleveren van stukken waardoor ik niet kon opschieten. Ik denk dat het bijhouden van een planning toch wel belangrijk is voor mijn studie.”

D: “Hoe zou je dit in de toekomst anders kunnen doen?”

S: “Goede afspraken maken van te voren en eerder aanspreken als ze zich er niet aan houdt. Nu wachtte ik vaak af waardoor ikzelf te maken kreeg met tijdsdruk.”