Vragen stellen

Uitgangspunten

Vragen stellen is een belangrijk onderdeel van coaching. Hier volgt een aantal belangrijke uitgangspunten.

  • Stel open vragen
  • ‘Wat’, ‘hoe’ en ‘welke’ zijn beter dan ‘waarom’ vragen
  • Probeer antwoorden zoveel mogelijk te concretiseren: vraag naar verduidelijking of concreet gedrag
  • Gebruik bevestigingen, herhalingen of samenvattingen om een student op zijn/haar gemak te stellen en door te laten praten
  • Gebruik reflectie om gevoelens1 in woorden uit te drukken
  • Maak gebruik van (korte) stiltes
  • Vermijd suggestieve vragen2 (je wilt zeker niet…) of duidelijk sociaal wenselijke vragen
  • Vermijd meningen en retorische vragen3
  1. Een reflectie op gevoel is het benoemen van het gevoel dat u bij de ander waarneemt. Hiermee gaat u na of u de waarneming op de juiste wijze interpreteert en stimuleert u de student om meer over dit gevoel te vertellen. Voorbeelden zijn: “Ben je bang dat je de opgelopen studieachterstand niet meer in kan halen?” of “Heb je het gevoel op de verkeerde opleiding te zitten?”
  2. Een suggestieve vraag is een vraag waarmee op een bepaald antwoord wordt aangestuurd: “Zo’n zware bètaopleiding spreekt je niet aan, zeker?” “Vind jij ook dat de samenwerking in het project beter had gekund?”
  3. Een retorische vraag is een vraag waarbij het antwoord al duidelijk is: “Wie is er nu eigenlijk verantwoordelijk voor zijn eigen studieresultaten?”

Begin gesprek

Een goed begin is het halve werk. Wanneer u het gesprek goed begint, dan is er minder kans op verwarring tijdens het gesprek en kunt u zich meer richten op de inhoud. Een goed gesprek begint met een goede voorbereiding. Wanneer het mogelijk is, lees dan zelf de rapportage van de student door en neem een moment om de opvallende punten te bekijken. Bepaal eventuele gespreksonderwerpen op basis van de resultaten in de rapportage. Vraag ook aan de student om het gesprek voor te bereiden. Vaak is het nuttig om de student de onderstaande vier vragen te laten beantwoorden en op te laten schrijven op één A4. De student kan zijn/haar aantekeningen meenemen naar het gesprek. Deze opdracht zorgt ervoor dat een student al actief heeft nagedacht over de resultaten en dat de resultaten goed zijn gelezen.

  1. Wat vond je ervan om de tests te maken?
  2. Welke resultaten herken je en waarom herken je deze resultaten?
  3. Welke resultaten herken je niet en waarom herken je deze resultaten niet?
  4. Zijn er, gebaseerd op de testresultaten, bepaalde punten waar je graag aan zou willen werken?

Bij het begin van een gesprek over testresultaten is het als eerste belangrijk om de student op zijn/haar gemak te stellen. Daarna kunnen de spelregels van het gesprek met de student worden besproken. Eventueel kunt u beginnen met te vragen naar de verwachtingen van de student over het gesprek. Op deze manier neemt de student meteen een actieve houding aan ten aanzien van het gesprek. De verwachtingen van de student kunnen, indien nodig, aangevuld of bijgesteld worden. Zorg ervoor dat de student zich goed bewust is van het doel van het gesprek. Geef bijvoorbeeld aan dat het doel is om: “De rapportage te bespreken en na te gaan hoe/of de student kan worden ondersteund in het succesvol doorlopen van zijn/haar opleiding.” Daarna is het altijd goed om te benadrukken dat het gesprek vertrouwelijk is en aan te geven wat er gebeurt met de resultaten van het gesprek (worden ze ergens geregistreerd?). Geef ten slotte aan hoe lang het gesprek gaat duren. Hieronder wordt een en ander puntsgewijs weergegeven. 

Bij de start van het gesprek:

  • De aanleiding van dit gesprek
  • Benadruk vertrouwelijkheid
  • De doelstelling van dit gesprek
  • Benadruk het wederzijds belang
  • De tijdsduur van dit gesprek
  • Uw eigen rol en uw verwachting van de deelnemer.

Vervolgens kan nagegaan worden of:

  • er instemming is met deze structuur
  • er overeenstemming is over de betekenis van de testonderdelen die besproken zullen worden

Soms wil een student meteen over de inhoud beginnen, probeer hier niet meteen op in te gaan en rond eerst de introductie volledig af. Nadat de introductie van het gesprek is afgerond kan de student, indien nodig, nog iets meer op zijn of haar gemak worden gesteld. Over het algemeen is het zinvol een paar bredere inleidende vragen te stellen voordat u de specifieke resultaten gaat bespreken. Dit kunnen vragen zijn als:

  • “Zijn er nog bepaalde dingen opgevallen terwijl je de tests invulde?”
  • “Hoe vond je het om de tests te maken?”
  • “Wat vond je in het algemeen van de resultaten in het rapport?”

Door middel van deze vragen krijgt u een beeld van hoe de student de tests en de resultaten heeft ervaren en of er mogelijk factoren een rol spelen, die hierop van invloed zijn (geweest). Het zou, bijvoorbeeld, kunnen zijn dat de student werd gestoord tijdens het maken van een capaciteitentest waardoor een lage score is behaald. Ook wordt door deze vragen vaak duidelijk of er sprake is van weerstand bij de student. Dit is belangrijke informatie voor de interpretatie van de resultaten. Hiernaast kan het voor komen dat studenten bewust of onbewust in een bepaalde richting (antwoordpatroon) ingevuld hebben. Sommige studenten zullen, bijvoorbeeld, zichzelf heel kritisch beoordeeld hebben bij het invullen van de vragenlijst en anderen zullen zichzelf juist erg positief beoordelen. Wanneer u vermoedt dat er bij een student iets dergelijks heeft gespeeld bij het invullen van de antwoorden, dan kunt u dit uitvragen. Voorbeelden van vragen om dit te doen worden op de volgende pagina gegeven.Nadat u de algemene vragen met de student heeft besproken kunt u specifieke resultaten bespreken. Zorg ervoor dat de student de betekenis van de schalen en de resultaten goed begrijpt. Soms kan miscommunicatie hierover leiden tot een (schijnbaar) verschil van mening over de interpretatie van de resultaten. Bijvoorbeeld: Een student scoort laag op mondeling communiceren en geeft aan dit resultaat niet te herkennen. De student vindt namelijk dat “Ze graag praat met anderen en ze veel vriendinnen heeft waar ze eerder te veel dan te weinig mee praat.” In dit geval klopt het beeld van de student niet met de betekenis van de schaal mondeling communiceren. In gevallen als deze helpt het vaak om de toelichting van de schaal er bij te nemen en met de student te bespreken, voordat u bespreekt waarom iemand zich wel of niet in een resultaat herkent. Regelmatig leidt een verkeerd beeld van de betekenis van een schaal er toe dat men zich niet herkent in de resultaten.Wanneer duidelijk is wat de betekenis van een score op een bepaalde schaal is, dan kunt u uitvragen of dit beeld klopt. U begint dan aan de eerste fase van de coachingscirkel, “ervaren”. In deze fase kunt u op een gestructureerde manier, door middel van de STARR methodiek, voor competentie- en persoonlijkheidsmetingen meer inzicht krijgen in de sterke en minder sterke kanten van het functioneren van de student.